About Jinggo Janggo
Het eerste wat me opviel, was niet het gepolijste teakhout of de strakke witte zeilen — het was de stilte. Om 5:47 uur gleed de Jinggo Janggo geruisloos de baai voor Padar Island binnen. De bemanning bewoog als schaduwen, belegde de lijnen zonder een woord te wisselen. Geen brullende motoren, geen rammelende kettingen. Alleen het zachte kabbelen van water tegen de romp en het zachte kraken van oud hout dat zich in de koele ochtendlucht settelde. Om 6:02 stond ik op het strand, onderweg naar de switchbacks terwijl de zon over de gekartelde bergkam stroomde en de baai met vijf kleuren zand veranderde in een schakering van koraal en goud. Geen geforceerde show. Het voelde als iets wat je had verdiend.
Later die ochtend, geankerd bij Komodo Island, veranderde het ritme. De rubberboot zette ons om iets na negen uur af bij de steiger van Loh Liang — op tijd om de middaghitte en de cruisebezoekers te ontwijken. Rangers gaven instructies in het Bahasa, zacht vertaald door onze gids, voordat we het droge savannepad op gingen. Acht draken zagen we — de grootste lag te zonnen bij een zoetwaterplas, kaken licht geopend, staart trillend tegen de vliegen. De wandeling duurde 75 minuten: precies, veilig, met flessenwater bij de koffiepauze. Tegen twaalf uur weer aan boord, met koude washandjes en ijzige limo onder het beschaduwde eetzeil.
De Jinggo Janggo doet niet alsof het een drijvend hotel is. Met 22 meter is het compact, gebouwd voor intimiteit, niet voor vertoon. Er is één hut voor twee personen, maar met een capaciteit van vijf gasten vermoed ik een tweede slaapruimte — misschien uitklapbaar, misschien verscholen onder het dek. De indeling kiest duidelijk voor open ruimte boven afgesloten hokjes. We aten op het achterdek: gegrilde skipjack met sambal matah, papajaslaatje, gefrituurde bananen. Geen witte tafellakens, maar schone borden en echt bestek. Rond twee uur ’s middags dreef er bij Manta Point een stel haaien langs, en twee mantas cirkelden rond de boeg, vinnen traag wiegend. De bemanning gooide de snorkels en maskers in het water die ze een uur eerder al hadden klaargelegd — voorgespoeld, slangen netjes opgerold.
’s Avonds geankerd bij Kalong Island. Om 18:30 was de lucht zwart. Duizenden fruitvleermuizen stootten op uit de mangroven, een kolkende zwarte wolk tegen het schemerlicht. We aten geroosterde maïs en dronken warme Bintang op het zonnedek, het enige licht een lantaarn die zachtjes aan de mast bungelde. Geen Wi-Fi, geen muziek uit luidsprekers. Alleen gesprek, af en toe het plonsen van een springende vis. De volgende ochtend werden we wakker bij Taka Makassar — ondiep, turquoise water, zandbanken die bij laagwater opdoken. Om tien uur zwommen we bij Kanawa, waar het rif steil uit de diepte oprees, levend van papegaaivis en anemoonvissen. De terugreis naar Labuan Bajo duurde twee uur onder motor, aankomst net voor 14:00 — ruim op tijd voor de late vluchten.










