About Riley
Het eerste licht gleed over het teakhouten dek terwijl we de noordpunt van Padar rondden, de lucht nog paars aan de horizon. Ik zat opgerold in een dunne deken op de ligbedden van het bovendek, en keek hoe de bemanning geruisloos de zeilen liet zakken — alleen het kraken van de takel en het sissen van water onder de boeg. Riley stoomde niet vooruit; ze gleed, alsof ze wist dat de draken op Komodo nog sliepen en er geen haast bij was. Om 6:15 vingen de gekartelde bergen van het eiland het zonlicht op, en dreef de geur van gebakken sjalotten en sterke Javakoffie uit de kombuis. Dit was geen geregisseerd moment — het voelde verdiend, rustig, doordacht.
Later die ochtend, na een snelle duik in het koele, stromende kanaal bij Manta Point waar schaduwen zo groot als zweefvliegtuigen onder ons cirkelden, belandde ik weer op het zonnedek, druipend en buiten adem. De jacuzzi was al aangezet, warme bubbels die de oceaankou doorbraken. Het is zeldzaam zo’n voorziening op een traditionele phinisi te zien, maar hier werkte het — want het was niet het middelpunt. Het was een extraatje na échte beweging, échte verkenning. De bemanning had het perfect getimed: net lang genoeg om op te warmen voordat de rubberboot vertrok naar Pink Beach, waar het zand zich daadwerkelijk roze kleurt onder de middagzon, doorspekt met fijngemalen foraminiferen.
De indeling van Riley verraste me. Met slechts vijf hutten voor twaalf gasten was er ruimte om adem te halen. Mijn hut, een van de twee op het onderdek met patrijspoorten op waterhoogte, bleef koel terwijl de middagzon het hoofddek teisterde. Het houtwerk was niet overdreven gepolijst; het liet lichte krasjes zien bij de deurposten, het soort sporen dat ontstaat door jarenlange zoutlucht, blote voeten en zorgvuldig onderhoud. Het bed had een degelijk matras — geen hobbelig schuim — en een muskietennet dat echt dicht kon. Maar wat ik me het langst herinnerde, was de stilte ’s nachts. Voor anker in Sebayur, zonder generator na 22:00 uur, was het enige geluid het zachte bonken van de romp tegen de ankerboei.
Dag drie begon vroeg. We vertrokken voor zonsopkomst naar Kanawa, door spiegelglad water waarin de sterren weerspiegeld bleven als olievlekken. De duikmaster deelde net voor het oppervlak bananen uit — lokkertjes voor de blauwogige barracuda die rond de wall hangen. Later kwam Taka Makassar, een wirwar van wit zand en turkoois water, waar de stroming je zacht langs een rifkant voerde vol bokbaarzen en klownvissen in anemonen. Lunch was gegrilde mahi-mahi met sambal matah, geserveerd aan de openlucht eettafel onder een canvas afdak dat die middag maar één keer flapperde.
Aan boord had de overdekte lounge een kleine bibliotheek — echte boeken, geen brochures — over de Indonesische zeebiologie en de geschiedenis van de phinisi. Niemand keek tv. In plaats daarvan tekenden twee gasten in hun notitieblok, een ander doezelde in een hangmat tussen de masten. Riley schreeuwde geen luxe. Dat hoefde niet. Haar kracht lag in het ritme: hoe de bemanning behoeften voorzag zonder op te dringen, hoe de zeilen opgingen zodra de wind opkwam, hoe de anker met amper een klap in rustige baaien zakte. Het ging hier niet om het afvinken van bezienswaardigheden. Het ging om het voelen van het tempo van de eilanden.










