About Panrita
De eerste ochtend werd ik wakker voor zonsopkomst, op het geratel van de ankerketting en gedempte stemmen op het voorschip. De lucht was koel, de hemel boven Rinca nog donker, maar in de kombuis hing al de geur van gebakken sjalotten en koffie. We waren de avond ervoor laat aan boord gekomen, tassen die bonsden op de houten treden, en had Panrita nauwelijks opgenomen — een 38-meter phinisi met brede dekken en koperbeslag. Bij het eerste licht zag ik dat we voor anker lagen bij Padar. De silhouetten van de pieken leken van een andere planeet.
De eerste volledige dag brachten we door met eilandhopping, in een ritme dat perfect voelde. Een snelle snorkel bij Kelor gaf alvast een proefje — zacht koraal dat wiegt in de stroming, papegaaivis die onder richels schieten. Bij zonsondergang klommen we de heuvel op Menjerite. Het is geen zware klim, maar het uitzicht sloeg stil: drie rozeachtige stranden die uitwaaieren als vingers, de boot klein daarbeneden. Het avondeten was gegrilde mahi-mahi met sambal matah onder de sterren, geserveerd aan een lange tafel waar we met zijn twaalven zaten — gasten en bemanning die geruisloos langs ons liep.
Dag twee was de hoofdrol. Om 5:30 uur opgestaan voor Padar bij daglicht. De klim is steiler dan het lijkt, maar toen de zon de baai raakte, verstomden we alle vijf bovenop. Het water was niet zomaar blauw — het was gelaagd, alsof iemand turkoois, smaragd en saffier had laten vloeien. Na het ontbijt op de boot gingen we naar Komodo Island. De rangers hadden hun stokken paraat, en we zagen twee Komodo-draden — een die een dode damhert verslond, de andere die in de schaduw lag, tong flitsend. Daarna voelde Pink Beach als een beloning. We zwommen in de ondiepe wateren, het zand bleekroze onder het oppervlak. Ik raapte een klein stukje roze koraal op, en hoorde later dat het foraminiferen zijn — micro-organismen, geen verpulverde schelpen.
Manta Point was rond het middaguur. De stroming was sterker dan verwacht, maar de duikgids gaf me een rifhaak en wees. Ik zag de eerste manta onder me zweven, dan nog een, vinnen breder dan ik ben. Ze cirkelden rond het schoonmaakstation als klokwerk. Aan dek wachtten koude doekjes en limoensap. Die avond voor anker bij Kalong, een klein eiland met een enorme roost van fruitvleermuizen. Zonsondergang, en duizenden stegen op — een kolkende zwarte rivier tegen de oranje lucht. De lichten van de boot gingen aan, en de bemanning serveerde saté en pittige tofu.
Laatste ochtend: Taka Makassar. De zandbank verschijnt alleen bij laag water, een lange witte boog in het niets. We waadden erheen, maakten de gebruikelijke groepsfoto’s, maar bleven toen gewoon staan, tot aan de enkels in het water, en keken hoe de vloed terugkeerde. Dan Kanawa — ondiepe riffen dicht bij de kust, perfect voor lui snorkelen. Ik zag een piepkleine blauwe octopus onder een steen schuiven. Om twaalf uur vertrokken we, drie uur varen terug naar Labuan Bajo. De bemanning deelde koude dranken uit en een geprinte foto van ons op de zandbank. Geen druk om te tippen, maar we deden het toch — contant, discreet.










