About NK Jaya 1
Die eerste avond, net na het ankeren bij Kelor, hingen de bemanningsleden lantaarns langs de reling – zachte gele gloed tegen het indigokleurige water. Ik zat op het achterdek met een mok gemberthee, terwijl het laatste licht verdween achter de scherpe contouren van het eiland. Geen muziek, nog geen geroezemoes van andere gasten – alleen het kraken van de romp en in de verte het geluid van een vissersboot. Dat stille moment bepaalde de toon: dit ging niet om schouwspel, maar om ritme. Het schip bewoog mee met de dag, niet ertegenin.
Tegen de ochtend van dag twee stonden we al aan land op Padar, voordat de meeste boten arriveerden. De klim via het noordelijke pad, net als de zon boven de horizon uitkwam, kleurde de meerkleurige hellingen warm goud. NK Jaya 1 had zich al vroeg gepositioneerd in Loh Liang Bay, zodat we de drukte konden ontwijken en terugkeerden voor een ontspannen ontbijt van gebakken banaan en koffie op het bovendek. De bemanning timede de overgangen als een stille choreografie – geen geschreeuw, geen haast, gewoon kalme efficiëntie. Als iemand extra hulp nodig had met vinnen bij Manta Point, stond er al een gids klaar zonder dat die was gevraagd.
De indeling van het schip voelde vertrouwd, maar verzorgd. De vier hutten liggen onder dek, elk met individueel regelbare airco die de hele nacht doordraaide – een opluchting na dagen onder de equatoriale zon. De ventilator boven mijn kooi zorgde voor een zachte luchtstroom, zelfs als de motor stationair draaide. Opbergruimte was sober maar functioneel: een netzak voor kleine spulletjes, een plankje voor bril, en een stevige deur die het licht buitensloot. De gedeelde badkamers werden tweemaal daags schoongemaakt, en schone handdoeken verschenen zonder dat je hoefde te vragen.
Op de laatste ochtend dreef je over het zandbankje van Taka Makassar, net als de getijden de ondiepten begonnen te vullen. Het water veranderde in minuten van bleek turkoois in diep saffier. Vanaf de boeg kon je de volledige vorm van de bank zien ontstaan, geflankeerd door de vulkanische kegel van Kanawa in de verte. We snorkeleden over de rand waar het rif begon, en zagen batfish en een slapende wobbegonghaai onder een richel. Aan boord serveerde de bemanning een eenvoudige lunch van gegrilde vis en papayaslaat, voor de tweeuur durende terugtocht naar Labuan Bajo.
Wat bleef hangen, was niet één enkele plek, maar de manier waarop NK Jaya 1 zich door het park bewoog. De kapitein vermijdt drukke ankerplaatsen waar mogelijk, en kiest voor rustigere baaien zoals Sebayur op de terugweg. Het zonnedek, overdag beschut onder een canvas afdak en ‘s nachts open naar de sterren, werd vanzelf een natuurlijke ontmoetingsplek. Op een avond wees de stuurman Scorpius aan, laag aan de horizon, zijn stem nauwelijks hoorbaar boven het kabbelende water uit. Het voelde minder als een tour, meer als een overtocht.










