About Almadira
De eerste ochtend werd ik wakker voor zonsopkomst, op het geluid van de ankerketting en het kraken van de kombuisdeur. Een bemanningslid zette koffie in een gekreukte roestvrijstalen pot; de geur sneed door de frisse lucht. Ik wikkelde een dunne deken uit de hut om me heen en liep naar het bovendek. We dreven voor anker bij Kelor, de scherpe silhouetten van het eiland afgetekend tegen een lichtroze hemel. Het voelde nog niet als vakantie — eerder alsof je stilletjes werd ingewijd in een geheim.
Die eerste middag gingen we snorkelen bij Menjerite, op korte afstand van Labuan Bajo. De stroming was mild, en de rifmuur daalde snel af. Ik zag een kleine rifhaai onder een richel liggen, roerloos, terwijl scholen blauwe vlagvissen boven me cirkelden. De Almadira, een 26 meter lange phinisi, ploegde soepel door de deining. Aan boord werd lunch geserveerd onder het afdak: gegrilde vis, pittige sambal en een papayaslaat die zo vers smaakte dat hij net gezaaid leek. Geen buffet, geen plastic bordjes.
Dag twee begon bij Padar Island, net voor zonsopgang. We volgden het noordelijke pad terwijl de zon boven de heuvels uitkwam en de baai eronder veranderde in een overgang van turkoois naar diepblauw. Het beroemde gekromde strand zat vol dagjesmensen toen we vertrokken. Later volgden we de wandeling op zoek naar de Komodo-draak op Rinca. De gids droeg een lange stok en we bleven dicht bij elkaar. Een draak sjokte langs, zonder ons een blik waardig te gunnen. Na de lunch snorkelden we bij Manta Point. In twintig minuten zag ik drie mantaroggen, zwevend zo dichtbij dat ik de littekens op hun vleugels kon zien.
Daarna kwam Pink Beach — en ja, het zand is écht lichtroze, al moet je goed kijken. We zwommen in de baai terwijl de bemanning de zonsondergangsdrankjes klaarmaakte: koude Bintang en gekruide pinda’s. Tegen de avond gingen we voor anker bij Kalong Island. Duizenden fruitvleermuizen stroomden bij zonsondergang uit de mangroven, cirkelend in steeds bredere spiralen boven het donkere water. Het geluid van hun vleugels klonk als verre regen.
Op de laatste dag bereikten we Taka Makassar bij laagwater. De zandbank was zichtbaar, en het water was kniehoog en onwerkelijk — melkachtig blauw, zoals licht door matglas. We waadden erin en dreef rond, pratend over niets. Daarna een korte stop bij Kanawa voor een laatste duik met de snorkel. Het koraal was hier en daar versnipperd, maar de klownsnoekvisjes waren actief, in en uit de anemoon. We keerden vroeg in de middag terug naar Labuan Bajo, de motor regelmatig achter ons.
De hut was eenvoudig, maar verzorgd: één privékamer met twee eenpersoonsbedden tegen elkaar geschoven, een kleine ventilator en een patrijspoort met uitzicht op zee. De badkamer had koud stromend water en een goede afvoer. Geen franje, maar alles werkte. Ik waardeerde dat de bemanning niet opdringerig was — aanwezig wanneer nodig, onzichtbaar als het niet hoefde. ‘s Nachts sliepen we op het dek, met muggennetten om ons heen. De boot wiegde zacht. Geen muziek, geen lichten. Alleen het geluid van water dat tegen de romp klotste.










