About Pesona Bajo
De eerste ochtend werd ik wakker van de geur van gegrilde makreel en diesel uit de kombuis onder me. Het was geen luxe, maar het was echt — de bemanning was al bezig met het schoonmaken van vis voor het ontbijt, het dek nog vochtig van de zoutspoeling van de vorige nacht. We waren laat aangekomen bij Kelor, verankerd in die stille duisternis waar alleen het boeglicht het water doorsneed. Ik stapte op blote voeten naar buiten, het hout nog warm van de zon van de dag ervoor, en zag de silhouet van Komodo Island in de verte, als een verfrommeld stuk folie.
Pesona Bajo is een 23 meter lange phinisi, gebouwd voor functie, niet voor Instagram. We waren 14 gasten op een 3D2N gedeelde bootreis, verspreid over zes houten hutten met gedeelde badkamers op de gang. Mijn hut had een patrijspoort die niet open kon, eenpersoonsbedden met dunne matrassen en airco die rammelde als een losse bout, maar wel het zweet op afstand hield. Geen minibar, geen kluis, maar de bemanning liet de deur nooit op slot tijdens het schoonmaken. Op het bovendek lagen lange kussens onder een canvas dak — niet voorzien van airco, maar voldoende beschaduwd om te dutten tijdens de middaghitte terwijl we tussen de eilanden door zeilden.
Dag twee begon op Padar, nog voor zonsopgang. We klommen het noordelijke pad in het donker, hoofdlampen die voor ons uit dansten, en bereikten de kam net op het moment dat de zon de horizon spleet — eerst roze, dan goud over de gekartelde baai. Tegen het middaguur stonden we op Komodo Island, met rangers en droogseizoenstof tot aan onze enkels. De Komodo-draden hadden geen oog voor ons. Ze geeuwden, krabden zich en gleden weg in het struikgewas, alsof ze alles al hadden gezien. Later, op Pink Beach, is het zand echt lichtroze — niet neon, maar onmiskenbaar als het licht goed valt. We zwommen naar binnen, snorkels die het water doorsneden, en dreven boven papegaaivis en hersencoralen terwijl Pesona Bajo 200 meter verderop wachtte.
Manta Point was het hoogtepunt. Niet omdat we tien mantas zagen — we zagen er twee — maar omdat ze dichtbij kwamen. Eén cirkelde drie volle minuten onder me, zijn mond open, de kieuwplaten pulserend. De stroming trok me iets van koers, en een seconde lang dreef ik mee, met kloppend hart. Aan boord kregen we warme handdoeken en zoete thee. Die avond verankerten we bij Kalong Island. Duizenden fruitvleermuizen stegen op uit de mangroven bij zonsondergang, een wervelende zwarte wolk tegen de oranje lucht. Geen drones, geen muziek — alleen het klotsen van water tegen de romp en af en toe een kreet van een andere boot.
De laatste volledige dag was Taka Makassar, een zandbank die bij laag water als een spookbeeld verschijnt. We waadden 100 meter van het schip, telefoons in droge zakken, lachend terwijl de stroming aan onze benen trok. Daarna Kanawa, waar het rif snel daalt en het water donkerblauw wordt. Daar zag ik een schildpad, klein, die tussen de koraalkoppen schoten. De duikleider wees, maar joeg niet. Het ritme van de reis had zich genesteld — vroege starts, lange zeilen, eenvoudige maaltijden van gebakken rijst en komkommersalade. Tegen de middag waren we terug in Labuan Bajo, waar we onze spullen uitlaadden onder een lekkend afdak op de kade.










